maandag 5 juni 2017

Terugkeer naar de vlindertuin......geschreven door Ronald van Breemen, de Mandalist.......








Soms zie je beelden en soms lees je de woorden erbij………..zo mooi en ontroerend en zo hoopvol. Ik heb Ronald gevraagd of ik dit prachtige mocht delen op mijn site……en ja dat mocht van hem, wat fijn………..hij neemt je mee de wereld in van de Mandalist………een prachtige kijk- en luisterreis gewenst………..



Terugkeer naar de vlindertuin


Het was inmiddels mei en de dichter was weer wakker. De zolder waar hij woonde, was veranderd. In de winter had de Mandalist, die onder hem woonde, besloten om een dakraam te plaatsen. Na jaren van duisternis en kaarslicht moest de dichter wel wat wennen aan de ochtendzon die nu haar licht wierp op zijn schrijftafel en het stof deed dansen. De opgezette reiger, hoog op de kast achter hem, keek hem priemend aan en leek hem spottend te vragen wat hij nu weer te vertellen had. Dat kon niet echt natuurlijk, maar in de gedachtewereld van de dichter konden ook de dieren praten, zelfs de dode dieren zoals de dodo. Voor hem kon alles praten, alle dingen, maar zeker alle dieren en alle planten. Zo sprak bijvoorbeeld het madeliefje over onschuld, de goudsbloem over verdriet en de hazelaar over verzoening. En de vlinders? De vlinders spraken tot hem over lang, heel lang geleden, over hun geboortegrond. Ze vertelden hem over de tuin van Eden. Over hoe zij eerst bloemen waren en over hoe God hen op een mooie ochtend als deze, in een jolige bui met een piepklein schaartje had losgeknipt van de struiken zodat zij bij alle andere bloemen op visite konden gaan, maar ook de liefde in de buiken van mensen konden gaan brengen.


Ja, de vlinders konden mooi vertellen. Zo mooi, dat de dichter er altijd zachtjes bij moest huilen, en dat die tranen van ontroering in hem een diep verlangen wakker hield naar terugkeer. Terugkeer naar de vlindertuin. Ja, dat was waaraan de dichter vaak dacht wanneer hij wat weemoedig en een beetje triestig was.


'Wat zit je te doen?', vroeg de Mandalist aan de dichter. 'Ik zit wat te bladeren in oude boeken. Nou ja, echt oud zijn ze nu ook weer niet, maar ze zijn afgeschreven. Kijk maar, het staat erop, afgeschreven ... afgeschreven ... afgeschreven. Ze werden niet meer uitgeleend, een hele stapel. Nog geen euro per stuk'. Voor hem lag een groot, dik boek met als titel: 'Alle vlinders van de wereld, afgebeeld op ware grootte'.


'Weet je', zei de dichter, 'encyclopedieën worden niet meer gedrukt, niet meer verkocht en niet meer uitgeleend. In ons collectieve geheugen is het nog maar moeilijk bladeren ... iedereen zegt dat het elektronisch bewaren makkelijker is, dat we op het internet alles kunnen vinden. Maar voor mij lijkt het wel ...', hij keek even vertwijfeld naar de blauwe lucht achter zijn dakraam om daarna op ietwat sombere toon te vervolgen, 'voor mij lijkt het wel alsof er een verband is tussen dit afgeschreven boek en het langzaamaan verdwijnen van de vlinders. De rode lijst van verdwenen en/of bedreigde soorten wordt steeds weer langer.' De dichter zweeg. De Mandalist vond het niet prettig wanneer de dichter zo sprak. Het maakte hem verdrietig, maar ook onmachtig, want wat konden zij er immers aandoen? 'Je moet je niet druk maken om de dingen die je toch niet kunt veranderen.', had een van zijn vrienden hem immers gezegd.


Toch zag hij ook een blijde twinkeling in de ogen van de dichter, een opleving. 'Ik ga ook maar eens radicaliseren!', sprak de dichter plotseling krachtdadig. 'Wij', en hij wees naar de Mandalist, 'wij ' worden ecoterroristen. We hebben een goede naam nodig, liefst een afkorting, een embleem, een strijdlied, een manifest, een doelwit, een voertuig, een wapen en bommen, heel veel bommen. En natuurlijk doen we alles in het geheim.'


'Een wapen? Bommen?', riep de Mandalist verschrikt, want hij moest immers niets hebben van geweld, want geweld, dat wist hij, leidt altijd tot meer geweld en brengt altijd veel pijn en verdriet en angst, de minst plezierige van alle gevoelens.


'Je hoeft niet te schrikken hoor', zei de dichter lachend, 'we worden niet gevaarlijk. We gaan niemand pijn doen of verdrietig maken en we gaan zeker geen angst aanjagen.' Vervolgens vertelde hij de Mandalist uitvoerig over zijn plannen.


Lachend ging de Mandalist de trap af, het afgeschreven boek onder zijn arm. Hij mocht het stuk gaan knippen. Hij zou het embleem gaan maken en de papieren vlindervleugels zorgvuldig in zijn nieuwe mandala plakken.


Wat rest van dit verhaal is ontleend aan de hoopvolle fantasie van de dichter.

In de nachten die volgden, fietsten zij onder het kiemkrachtige licht van een wassende maan door de stad. Hun bakfiets barstensvol met bloemenzaad en vlinderstruik. Ze lieten geen braakliggend terrein ongemoeid en met hun koevoet wrikten zij menig stoeptegel los, dit ten faveure van een vlinderstruik. 'Want als een vlinder wilden zij zweven, dartelen in de wind. Als een vlinder wilden zij dartelen, zweven in de wind'. Dat was hun lied.


Die zomer zou de stad weer rijk aan bloemen zijn. En vlinders, een invasie van vlinders. Dat was hun droom.


'Want weet je ...', zei de dichter tot slot, 'als een kind een vlinder ziet, dan gaat het huppelen en lachen van plezier. En dat is toch wat we willen, een stad vol huppelende kinderen?'


Met de vermelding van Ronald: mandala gemaakt in gemengde techniek, paper, waterverf en borduurgaren.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten